ontwerpregel 4

De taak en het beoordelingsinstrument moeten gericht zijn op het ontlokken van denk- en redeneeractiviteiten die horen bij de vaardigheid ‘verbanden leggen’ (zie het cognitief model)

De vierde ontwerpregel heeft betrekking op het ontlokken van activiteiten die in het cognitief model beschreven worden. Er zou in de toetstaak bijvoorbeeld gevraagd moeten worden naar oorzaken, gevolgen en oplossingen of het formuleren van een eigen meningen over (het belang van) oorzaken en gevolgen of gewenste oplossingen. Niet alle componenten die in het cognitief model bij de drie deelvaardigheden horen, hoeven in de toetstaak gevraagd te worden. De toetstaak kan dan te complex worden.

Het beoordelingsinstrument bij een taak is ook een belangrijk middel om het denken en redeneren te ontlokken dat past bij causaal redeneren over maatschappelijke problemen en verschijnselen. Het is daarom belangrijk dat in het beoordelingsmodel de deelvaardigheden en daarbij horende onderdelen voldoende aandacht krijgen. Het beoordelingsmodel informeert leerlingen ook over wat er precies van ze verwacht wordt met betrekking tot de vaardigheden.

MENU