Ontwerpregels

Introductie

De 5 ontwerpregels bieden handvatten voor het ontwikkelen van authentieke toetstaken. Hoe zorg je er als docent voor dat de taak voldoende betekenisvol/authentiek is? Welke vaardigheden staan centraal? Wat gaan leerlingen doen? Hoe kun je variëren in niveau? Welke andere keuzes kun je maken?

De ontwerpregels zijn gebaseerd op literatuur over authentieke toetstaken (zie de publicatie ‘Toetsen van denkvaardigheden en conceptuele kennis bij Maatschappijwetenschappen’). Ze zijn besproken met de docenten die deelnamen aan het project ‘Toetsen van denkvaardigheden’.  Zij hebben de regels gebruikt om toetstaken te ontwikkelen. Na de evaluatie van de toetstaken zijn de ontwerpregels bijgesteld en voorgelegd aan experts (vakdidactici, toetsdeskundigen). Aan de hand van de feedback van de experts zijn de laatste aanpassingen gedaan.

 

 

Door op de ontwerpregels te klikken, krijgt u meer uitleg.  

 

Ontwerpregels
 
 
Een toetstaak die bedoeld is om te beoordelen in hoeverre leerlingen in staat zijn om bij het vak maatschappijwetenschappen verbanden te leggen:
 
 
1. moet betrekking hebben op een maatschappelijk of politiek verschijnsel of probleem als context voor het leggen van verbanden met behulp van hoofd- of kernconcepten.
 
 
2.moet voldoende authentiek zijn. Dat wil zeggen:
1. De toetstaak heeft een open vraag- of probleemstelling;
2. De toetstaak betreft een realistische taak die overeenkomt met een taak die past bij het als burger  participeren in de samenleving of een beroepspraktijk waarin de analyse van maatschappelijke problemen/verschijnselen aan de orde is;
3. Er is meer tijd voor de taak dan bij een gewone toets;
4. Voor de taak zijn complexe vaardigheden nodig, zoals analyseren, onderbouwen en evalueren;
5. De beoordelingscriteria zijn vooraf bekend.
 
 
3. moet voor leerlingen duidelijk zijn wat ze ten aanzien van het verschijnsel of probleem moeten doen:  onderzoeken, adviseren vanuit een bepaalde rol en/of je onderbouwde mening geven
 
 
4. moeten de taak en het beoordelingsinstrument gericht zijn op het ontlokken van denk – en redeneeractiviteiten die horen bij de vaardigheid ‘verbanden leggen’ (zie het cognitief model).
 
 
5. moeten de taak en het beoordelingsinstrument aansluiten bij het niveau dat van de leerling verwacht kan worden. Als de vaardigheden die centraal staan nog onvoldoende geoefend zijn, dan moet in de taak meer sturing en  ondersteuning worden gegeven.

 

MENU