Cognitief model

Introductie

 

Bij het vak Maatschappijwetenschappen leren leerlingen maatschappelijke problemen en verschijnselen analyseren met behulp van politicologische en sociologische begrippen en theorieën. Bij het redeneren over maatschappelijke verschijnselen en problemen moeten leerlingen verbanden tussen oorzaken en gevolgen en tussen doelen en oplossingen kunnen leggen en uitspraken over dergelijke verbanden kunnen onderbouwen of evalueren.

Maar wat moeten leerlingen precies kennen en kunnen bij het causaal redeneren over maatschappelijke problemen en verschijnselen? Een goede beschrijving van deze vaardigheden en kennis is nodig om de vaardigheden te onderwijzen en toetsen.
De vaardigheid ‘verbanden leggen’ is hier uitgewerkt in een cognitief model. Dat model bestaat uit drie deelvaardigheden die op hun beurt uiteenvallen in ‘wat leerlingen moeten kunnen doen’ en ‘de kennis en inzichten die leerlingen hierbij moeten kunnen toepassen’.

De drie deelvaardigheden zijn gebaseerd op veelvoorkomende benaderingen in de sociologie en politicologie. We omschrijven de deelvaardigheden als volgt:

 

  1. Beschrijven van (mogelijke) oorzaken, gevolgen en oplossingen van een maatschappelijk verschijnsel /probleem

  2. Onderbouwen (of evalueren) van uitspraken over oorzaken, gevolgen en/of oplossingen

  3. Een beargumenteerde conclusie of standpunt formuleren over oorzaken, gevolgen en/of oplossingen

Op de tabbladen ziet u per deelvaardigheid (A, B en C) aanvullende informatie. Op het laatste tabblad is het cognitief model in zijn volledigheid opgenomen. Een verdere toelichting vindt u in de publicatie.

Beschrijven

Deelvaardigheid A: beschrijven van oorzaken, gevolgen en oplossingen van een maatschappelijk verschijnsel/ probleem

 

De eerste deelvaardigheid in het cognitief model betreft het kunnen beschrijven van een verschijnsel en/of probleem, het benoemen van (mogelijke) oorzaken, gevolgen en oplossingen en het beschrijven van de relaties daartussen. Het probleem en de mogelijke relaties kunnen ook als onderzoeksvraag of hypothese geformuleerd worden.

 

Een maatschappelijk verschijnsel of probleem verklaren begint met een goede beschrijving van het verschijnsel of probleem. De eerste stap is goed onderscheiden waar we het precies over hebben. ‘Is het probleem persoonlijk, sociaal of politiek van aard?’ bijvoorbeeld. Ook het onderscheiden van andere actoren staat bij deze deelvaardigheid in de aandacht. Aan de hand hiervan kan een hypothese of onderzoeksvraag worden opgesteld.

 

Bij maatschappelijke verschijnselen en problemen zijn er doorgaans meerdere oorzaken en gevolgen. Relaties tussen verschijnselen kunnen meer of minder precies worden beschreven. Leerlingen hebben oefening nodig om zich precies uit te drukken. We willen bereiken dat leerlingen niet denken in termen van absoluut geformuleerde wetten, maar leren denken in termen van kansen.

 

Omdat het bij maatschappijwetenschappen om abstracte begrippen gaat, is het voor leerlingen niet gemakkelijk om met deze begrippen te redeneren. Bovendien zijn sommige begrippen beschrijvend, terwijl andere juist een proces duiden of een kwaliteit uitdrukken. Bij vwo-leerlingen komt er nog bij dat ze vanuit een paradigma een blik op maatschappelijke verschijnselen kunnen werpen.

Onderbouwen

Deelvaardigheid B: onderbouwen / kritisch beoordelen van uitspraken over oorzaken, gevolgen en/of oplossingen

 

Bij maatschappijwetenschappen leren leerlingen dat uitspraken over causale verbanden controleerbaar moeten zijn. Ook het evalueren van de mate waarin andermans uitspraken hout snijden staat hier centraal. Om uitspraken over oorzaken en gevolgen of effecten van specifieke oplossingen te onderbouwen moeten leerlingen bronnen en/of informatie uit bronnen kunnen selecteren waarmee die uitspraken onderbouwd kunnen worden. Leerlingen leren welke indicatoren en welke meetmethoden het best gebruikt kunnen worden om valide en betrouwbare gegevens te verzamelen.

 

Kwalitatieve gegevens worden in de sociale wetenschappen doorgaans niet als hard bewijs beschouwd om aan te tonen dat er causale verbanden zijn tussen bepaalde variabelen, maar worden gebruikt om dergelijke verbanden te illustreren. Kwantitatieve gegevens worden gebruikt om verbanden empirisch te toetsen of te bewijzen. Leerlingen moeten elementaire statistische informatie uit grafieken en tabellen kunnen interpreteren en deze gegevens leren gebruiken om een redenering te onderbouwen of te bekritiseren.

 

Om tot onderbouwde uitspraken over oorzaken en gevolgen te komen of uitspraken van anderen kritisch te beoordelen zijn vergelijkingen nodig, een centrale denkactiviteit in het vak maatschappijwetenschapen. Het onderscheiden en vergelijken van gegevens/perioden en andere variabelen zijn noodzakelijke stappen in het kunnen vaststellen of afleiden van causale verbanden.

 

Uitspraken over causale relaties moeten onderbouwd worden met informatie uit betrouwbare of representatieve bronnen. De gebruikte informatie moet een betrouwbaar en valide beeld geven. Het is daarom belangrijk dat leerlingen leren nagaan waar informatie vandaan komt. . Generaliseren is immers pas mogelijk als er valide en betrouwbare gegevens zijn

Concluderen

Deelvaardigheid C: een beargumenteerde conclusie / standpunt over oorzaken, gevolgen en/of oplossingen formuleren

 

Een onderzoek naar oorzaken en gevolgen van een maatschappelijk of politiek verschijnsel of probleem en naar mogelijke oplossingen, resulteert in een conclusie of een onderbouwd standpunt. De conclusie vormt het antwoord op de onderzoeksvraag of is de verwerping of acceptatie van een specifieke hypothese over oorzaken, gevolgen of oplossingen. Bij maatschappijwetenschappen is het belangrijk dat leerlingen leren om zichzelf te positioneren, een eigen standpunt te ontwikkelen en leren onderbouwen.

 

Een belangrijke houding voor een meer wetenschappelijke manier van redeneren, is het willen betwijfelen van de eigen waarnemingen en conclusies. Voorgestelde oplossingen kunnen onbedoelde effecten hebben. Er kunnen vaak tegenargumenten worden gegeven vanuit een andere politieke ideologie, theorie, paradigma of vanuit andere gegevens. Het formuleren (en ontkrachten) van tegenargumenten is een belangrijk onderdeel van dat leren betwijfelen.

 

Uitspraken over oorzaken en gevolgen moeten voldoende genuanceerd zijn. Verbanden die gelegd worden moeten doorgaans als in zekere mate waarschijnlijke verbanden beschouwd worden en niet als wetmatigheden. Dit betekent dat er geredeneerd wordt op basis van theorie en bewijs, dat er betwijfeld wordt, er gezocht wordt naar mogelijke alternatieve verklaringen en tegenbewijs. Het resultaat van dit onderzoek kan dus reden zijn om kritisch te reflecteren op eigen vooronderstellingen. De vaardigheid (of houding) om kritisch te reflecteren op vooronderstellingen kan gezien worden als een belangrijk onderdeel van burgerschapsvorming.

Volledig cognitief model

 

MENU